1. De opmars van de hogescholen
2. Panelgesprek LEREN
3. Marc Vandewalle: “Leren is geen individuele bezigheid meer”
4. Panelgesprek INNOVEREN
5. Joris Hindryckx: “Vandaag saneren creëert het verlies van morgen”
6. Panelgesprek INTERNATIONALISEREN
7. Freddy Weima: “Goed onderwijs is internationaal onderwijs”
8. Marleen Verlinden: “Studenten opleiden die naar de mondiale wereld kijken”
9. Panelgesprek FINANCIEREN
10. Mia Sas: “Ook wij moeten ons aanpassen”
11. UAS4Europe-conferentie: Maximising Success in H2020 and beyond
 

Aggiornamento!

Beste lezer

We hebben aan de hogescholen nog meer veerkracht nodig om morgen een cruciale rol te kunnen blijven spelen in de ontwikkeling van een duurzame economie en samenleving. Ons adaptief vermogen is meer dan ooit essentieel voor de toekomst van onze studenten, van ons onderwijs en van de maatschappij. En daarom moeten we ambitieus willen zijn.

Met 350 deelnemers was het VLHORA-congres van 13 maart 2017 een succes. Onder de titel ‘Leren, Innoveren en Internationaliseren’ formuleerden de Vlaamse hogescholen drie ambities voor de toekomst.

Eerste ambitie: zelf permanent leren. Laat ons leergierig en nieuwsgierig zijn en openstaan voor nieuwe uitdagingen. Laat ons het aanpassingsvermogen van onze hogescholen aan de veranderende omgeving nog versterken, ons opleidingsaanbod afstemmen op de snelle wijzigingen in het werkveld, en die evoluties zelf mee vormgeven.

Tweede ambitie: experimenteel innoveren. Met een intense verwevenheid en een voortdurende wisselwerking tussen onderwijs, onderzoek, maatschappelijke dienstverlening en beoefening en ontwikkeling van de kunsten kunnen we onszelf vernieuwen, de slimste van de Europese klas zijn en als het ware een innovatiebrigade vormen.

Derde ambitie: internationaliseren. We leven in een open land, waar alles kan, alles mag, alles binnen handbereik ligt en waar we bovendien oh zo snel uit wegkunnen. We zijn het centrum van Europa en dus ideaal geplaatst om ideeën te importeren en expertise te exporteren. Laten we onze hogescholen uitbouwen tot internationale voorbeelden van dynamiek en als Universities of Applied Sciences and Arts meer dan ooit rolmodellen worden, nationaal en internationaal.

Het realiseren van deze drie ambities vraagt om project gebaseerd onderwijs, waarbij ‘over het muurtje’ wordt gekeken en maatschappelijke impact als resultaatsobjectief wordt gesteld. Van de Vlaamse overheid vragen we stimulerende beleidskaders om dit mogelijk te maken.

Pascale De Groote, voorzitter van VLHORA gaf op het congres hierover de volgende boodschap: “Excellent hoger onderwijs vereist meer differentiatie tussen hogescholen maar ook meer samenwerking, meer integratie en minder belemmeringen. Onderwijs aanbieden dat beter aansluit op de individuele wensen van studenten en werkenden, en inspeelt op veranderingen in de samenleving, vraagt van hogescholen dat ze flexibel zijn. Daarvoor willen hogescholen minder belemmeringen in wet- en regelgeving om te experimenteren. Daarvoor willen hogescholen meer autonomie in hun personeelsbeleid en niet botsen op decretale starheid. We vragen een flexibel wetgevend kader dat alle kansen en mogelijkheden biedt om een modern, performant en competitief personeelsbeleid te voeren.”

Voor vele Vlaamse jongeren vormen de hogescholen een laagdrempelige en directe toegang tot het hoger onderwijs. Maar, en dit mag paradoxaal klinken in een tijd waarin steeds meer jongeren hogere studies aanvatten, de jonge beroepsbevolking in Vlaanderen telt nog te weinig hooggeschoolden. De groei die wede afgelopen jaren optekenen is te gering. Hierdoor verliezen we aan concurrentiekracht ten opzichte van andere landen die veel meer in hoger onderwijs investeren. Pascale De Groote op het congres : “De zwakste schakel blijft het financieringsmechanisme van de hogescholen dat de evolutie van de studentenpopulatie niet of nauwelijks volgt. Door het ingebouwd marktmechanisme met afnemende middelen wordt de onderlinge strijd om de student immers feller dan ooit bevochten. De kwaliteit komt daardoor op termijn onder druk te staan. Daarom willen we een hervorming van het financieringsmodel voor de hogescholen.” Eric Vermeylen, secretaris-generaal VLHORA nam de handschoen op. “We zullen als VLHORA experten bij elkaar brengen en een aantal scenario’s uitwerken waarrond een draagvlak kan gecreëerd worden. Met een gedragen voorstel willen we de regeringsonderhandelingen in 2019 met enige impact beïnvloeden”, verkondigde hij op het congres.

Hogescholen zijn dé essentie voor de ontwikkeling van de competenties van de 21ste eeuw. Investeren in hogescholen, is het werkveld met professioneel gerichte opleidingen een toekomst geven. En dit werkveld is het fundament voor welvaart en welzijn in Vlaanderen.

Hogescholen willen zich hiervoor bij de tijd brengen. Welke accenten en sfeer hiervoor nodig zijn, leest en ziet u in deze nieuwsbrief. We danken iedereen die van dit congres mee een succes heeft gemaakt.

Van harte!




Op het VLHORA-congres werd de waardevolle samenwerking tussen onderwijsexperts, studenten en werkveld in de kijker gezet. Voor het organiseren van dit congres hebben we dankbaar gebruik mogen maken van die productieve samenwerkingen.

LUCA School of Arts zorgde voor student-fotografen (Naninca Lemmens en Robin Joris) die het congres op de dag zelf in beeld hebben gebracht. Een foto-verslag kan u hier bekijken.

De student-journalisten (Laura De Backer, Joppe Peeters, Andreas Rotty, Joran Simoens, Hanneke Stoffels en hun begeleider Wouter Frateur) van Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen schreven korte artikels over het congres.

Daarnaast zorgden de student-filmers van Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen (Ann-Sophie Vanlommel, Larissa Cecchi, Anouk Mathys, Tim Vervoort en Bastiaan Lochs samen met hun begeleider Jozef Van Doninck) voor een sfeerimpressie van het congres in korte filmfragmenten.

REC/KASK Hogeschool Gent heeft de inleidende filmpjes voor de panelgesprekken verzorgd, waarin Kurt Van Eeghem op eigenzinnige wijze de onderwerpen van de panelgesprekken over leren, innoveren, internationaliseren en financieren in de verf zet.

De tentoonstelling in de Zuilenzaal van het Vlaams Parlement tijdens het VLHORA-congres toonde vijf werken van studenten, een oud-student en een docent/onderzoeker van het traject mediakunst binnen de opleiding beeldende kunsten van KASK / School of Arts Gent.
De verschillende werken raken, elk op hun manier, aan de paradox tussen ‘Zijn’ en ‘Worden’.
Een tekst wordt continue herschreven door de machine, het geluid van krakend ijs verplaatst zich in tijd en ruimte, een verzameling citaten die het woord ‘elders’ vermelden, …

De studenten Inge van den Kroonenberg, Lieselot Everaert en Henry Andersen, alumna Emi Kodama en docent/onderzoeker Jerry Galle zorgden voor deze tentoonstelling.

Voor het muzikaal intermezzo op het congres hebben we ook een beroep gedaan op de hogeschoolstudenten. Zo werd het muzikaal intermezzo verzorgd door het vocaal ensemble van de jazz-afdeling van het Koninklijk Conservatorium van Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen. Dit ensemble bestaat uit acht jonge zangers, onder begeleiding van Barbara Wiernik.
Amber Leconte, Liens Schoonis, Diana Pavlidi, Fien Desmedt, Tamara Mozes, Klaas Van de Loock en Jonas De Bruyn vonden elkaar tijdens de les jazz in hun opleiding en spelen sindsdien samen op verschillende podia.

Lees hier ook de speech van de secretaris-generaal Eric Vermeylen en de voorzitter Pascale De Groote.




De opmars van de hogescholen

In een volgepakte zaal De Schelp in het Vlaamse Parlement zit het kruim van de hogescholen samen. Het congres van de Vlaamse Hogescholenraad bewijst dat hogescholen hun felle opmars verderzetten. Rond vier thema’s probeert de organisatie de toekomst vorm te geven: leren, innoveren, internationaliseren en financieren.

Andreas Rotty, student AP Journalistiek


Ontvangst & netwerken

VLHORA ontvangt de gasten ’s middags met een ruim aanbod aan broodjes. De Zuilenzaal geeft meteen de indruk dat het een dag van belang is, want die is een deur verwijderd van het halfrond in het Vlaamse Parlement waar decreten worden gestemd en Vlaamse ministers worden bevraagd. Er hangt een collectie kunstwerken, onder andere lichaamsvormen in kevers van –wie anders dan- Jan Fabre.

In een opgetogen sfeer keuvelen de genodigden erop los. Het lijkt banaal, maar dat is net waarom het draait. “Het is altijd leuk om mensen van andere hogescholen te ontmoeten”, vertelt Janis Vanacker van het departement gezondheid en welzijn van de AP-hogeschool. “Zo kan je zien waar zij mee bezig zijn. Je moet je ogen en oren openhouden want alles verandert zo snel. Je moet mee zijn met de rest, anders loop je hopeloos achter.”

Het legertje departementshoofden en –adviseurs, bestuursleden, ondernemers en andere geïnteresseerden daalt dan de trappen af naar de congreszaal. Daar wacht Hanne Decoutere van het VRT Journaal iedereen op om de toespraken en panelgesprekken in goede banen te leiden. Ze kent de perikelen van de onderwijswereld maar al te goed. “Ik ben opgegroeid in een gezin waar onderwijs centraal staat. Mijn ouders waren allebei leerkracht. Dus de problematieken in het onderwijs en de mogelijke oplossingen daarvoor zijn bij ons aan de keukentafel vaak aan bod gekomen.”

De juiste richting

Na de openingsspeech van Eric Vermeylen, secretaris-generaal van het VLHORA, richt Pascale De Groote zich tot haar toehoorders. Ze is algemeen directeur van AP Hogeschool Antwerpen en voorzitter van VLHORA. “Disruptie wordt het woord van de 21ste eeuw”, kondigt De Groote de key-note speaker al aan, maar dat is voor later. Ze spreekt geëngageerd, bijna als een voorzitter van een politieke partij die zijn militanten opzweept. “Leren, innoveren en internationaliseren zijn onze ankerpunten aan de hogescholen. Ze reiken jongeren ervaringen aan die hen op weg zetten naar een duurzame toekomst. We moeten daar meer dan ooit op focussen, want alleen door die ervaringen zullen onze studenten zich de competenties van de eenentwintigste eeuw eigen maken.” Maar de goede richting is al ingeslagen, betoogt ze. “Meer dan 95 procent van de afgestudeerden vindt binnen het jaar werk.”

Daarop volgen de panelgesprekken rond de kernthema’s van het congres. Elk thema wordt ingeleid door een dynamisch filmpje met Kurt Van Eeghem en een swingende jingle om het publiek warm te krijgen. De sfeer blijft luchtig.

Eerst aan de beurt zijn “leren” en “innoveren”. Experts van de hogescholen komen aan bod, maar ook en vooral mensen met kennis ter zake buiten de Vlaamse onderwijswereld. VLHORA wil sterk focussen op samenwerkingen tussen hogescholen en bedrijven en organisaties. De praktijk blijft het uitgangspunt.

Tussen de twee panelgesprekken in tonen de studenten van het Conservatorium van Antwerpen een staaltje van hun zangkunsten.

Tussen dromen en werkelijkheid ligt het banksaldo

Tijdens de koffiepauze kletst iedereen lustig verder onder de kevers van Jan Fabre, netwerken op zijn top. Terug in de congreszaal volgt het onderwerp “internationaliseren”, de derde van de pijlers van dit congres.

En na een tweede zangpartij komt het onvermijdelijke “financieren” aan bod, dat in vorige gesprekken al af en toe de kop opstak. Zonder geld kan je alle voorgaande doelstellingen niet realiseren. En de financiële situatie is niet optimaal. Precaire vragen steken de kop op: Moet het studiegeld hoger liggen? Of kan de overheid wat meer duiten in de zak doen?

Ex-politicus Willy Claes, aanwezig als voorzitter van de VLUHR, de Vlaamse Raad voor Universiteiten en Hogescholen, vindt dat de tijd rijp is om knopen door te hakken. “Het is duidelijk dat zowel universiteiten als hogescholen voorstander zijn van een dringende herziening van het decreet omtrent de financiering. Het is een complexe en tegelijk politiek delicate aangelegenheid. Ik denk dat het debat moet gestart worden, zo niet vrees ik dat we naar enorme moeilijkheden gaan.”

Orgelpunt

“Wat zijn onze bestaansredenen? Waarom zijn wij hier? Dat zijn de vragen die het onderwijs zich moet stellen.” Fabiaan Van Vrekhem, Managing Partner ACCORD Group wil de hogescholen laten focussen op de essentie. Vanuit zijn ervaring met het bedrijfsleven vertelt hij hoe het moet. Zijn betoog gaat over de nood aan de disruptieve competentie. Hogescholen moeten hun studenten leren omgaan met plotse technologische gamechangers. En dat is om de haverklap nodig.

Het orgelpunt van de namiddag komt op het einde, Vlaams minister van Onderwijs Hilde Crevits neemt het spreekgestoelte vast. Alle plannen en dromen in de zaal kan zij kraken of maken. “Ik feliciteer de VLHORA met deze geslaagde editie van het congres.” Ze verontschuldigt zich voor haar afwezigheid tot dit moment, maar ze bleef ondertussen op de hoogte. “Ik had spionnen in de zaal die mij allerhande sms’en hebben gestuurd”, grapt ze.


Inhoudelijk blijft haar betoog voorzichtig maar toch duidelijk. Ze wil de lerarenopleiding versterken en de start van nieuwe opleidingen in goede banen leiden. Hét punt is natuurlijk de financiering. Crevits wijst op de investeringen die de overheid al gedaan heeft en de nood aan studiegeld om het aanbod aan verschillende opleidingen levend te houden. “De studiegelden zijn hier vrij laag. Jongeren kunnen hier, in tegenstelling tot in andere landen waar het gratis is, vrij keuzes maken: de opleiding waarvan ze dromen, aan de hogeschool of de universiteit waar ze zich het best voelen.” In haar besluit houdt ze de kerk in het midden. “Ik ben echt overtuigd over het positieve traject dat we de voorbije 2,5 jaar hebben afgelegd. We hebben een paar goede keuzes gemaakt richting de toekomst. Ik wil eindigen met een citaat van Albert Einstein: “Te midden van de moeilijkheid ligt altijd de mogelijkheid.” Laat ons samen zoeken naar die eenvoudige mogelijkheden.” En met die ‘food for thought’ eindigen de gasten het congres met een glas.



Panelgesprek LEREN

Een hogeschool wil een leeromgeving zijn waar elke student kan investeren in zijn ontwikkeling, loopbaan en toekomst. We moeten vooruit durven kijken.

Hogescholen staan voor heel wat uitdagingen op dit vlak.

  1. Ze moeten de inhoud van hun opleidingen adaptief weten te houden aan de snelle veranderingen in het werkveld: de ondernemingen, het secundair en basisonderwijs, gezondheids- en culturele organisaties. Dat vraagt dat hogescholen sterk inzetten op de competenties van de 21ste eeuw: digitale geletterdheid, kritisch denken en probleemoplossend vermogen, communicatie en samenwerking, creativiteit en innovatie, flexibiliteit, initiatief en zelfsturing, ondernemerschap… Met deze competenties wordt ook leervermogen ontwikkeld, en dus de basis gelegd om permanent te kunnen blijven leren.
  2. Ze moeten zich weten te organiseren op levenslang leren tijdens de loopbaan van hun ‘afgestudeerden’. Dat vraagt om een sterk uitgebouwd alumnibeleid en meer autonomie in het personeelsbeleid. Levenslang leren krijg je maar van de grond door een aanbod in de avonduren gecombineerd met digitale leervormen.
  3. Ze moeten daadwerkelijk vorm kunnen geven aan een HBO5-aanbod als belangrijke hefboom om de participatiegraad in het hoger onderwijs te vergroten.
  4. En ze staan voor de grote uitdaging om leren op de werkplek sterk uit te bouwen, ook dit in combinatie met digitale leervormen. Leren op de werkplek biedt ruimte voor experiment en meer doelgericht leren zowel aan de zijde van de opleiding als het werkveld zelf.

Welke randvoorwaarden moeten dit mogelijk maken?

  • Professioneel gerichte opleidingen aan de hogescholen moeten direct afgestemd blijven op het werkveld. We moeten hierbij kunnen vooruitzien. Dit vraagt om een voortdurende evolutie van het opleidingsaanbod. Opleidingen die niet meer relevant zijn moeten afgebouwd kunnen worden. Nieuwe opleidingen die prospectief de toekomstige vraag op de arbeidsmarkt beantwoorden moeten ingericht kunnen worden. Er is nood aan een dynamisch opleidingsaanbod. De relevantie van nieuwe opleidingen moet steeds onafhankelijk en op basis van duidelijke criteria getoetst worden. In ons jargon heet dat de macrodoelmatigheid. Ook voor bestaande opleidingen moeten we de macrodoelmatigheid blijvend toetsen in het kader van het kwaliteitszorgsysteem.
  • Onderwijs aanbieden dat beter aansluit op de individuele wensen van studenten en werkenden, en ook inspeelt op veranderingen in de samenleving, vraagt van hogescholen dat ze flexibel zijn. Voor toekomstbestendig onderwijs is er meer ruimte in wet- en regelgeving nodig voor meer flexibele trajecten en methoden, meer in het bijzonder voor het personeelsbeleid.

  • De overdracht van het hoger beroepsonderwijs (HBO5) naar de hogescholen is een enorme maatschappelijke opportuniteit. Hierin leidinggevend worden in Europa betekent dat we voor dit niveau 5 van hoger onderwijs moeten stijgen van een participatie van 1,5% naar minstens 8%. Een enorm potentieel aan maatschappelijk kapitaal op voorwaarde dat we ook de eigen opleidingsmethoden voor het hoger onderwijs kunnen inzetten en sterk met het werkveld kunnen samenwerken voor het realiseren van het voorziene werkplekleren.
  • Om de participatiegraad in het hoger onderwijs te vergroten, en de leerladders tussen HBO5, professionele bachelor en academische bachelors voldoende flexibel en doelmatig te laten werken, is er nood aan aangepaste maatregelen in functie van heroriëntering. Het huidige leerkrediet schiet in deze tekort.
  • De financiële middelen van de hogescholen zijn aan ernstige bijsturing toe. Maar daarover meer door Tomas Legrand.



Marc Vandewalle (UCLL) over diversiteit, vernieuwingen en investeringen

“Leren is geen individuele bezigheid meer”

Hanneke Stoffels, AP Journalistiek

Hogeschool UC Leuven Limburg vernieuwt haar lerarenopleiding. De onderwijsvakken islam, boeddhisme, niet-confessionele zedenleer en protestantse godsdienst duiken op in het lessenpakket. “Onze opleiding past zich aan de profilering in de maatschappij aan”, aldus Marc Vandewalle, algemeen directeur van UCLL.


“In het onderwijs verandert het werkveld van een afgestudeerde leerkracht zeer sterk. Er is heel wat diversiteit bij leerlingen, maar ook bij ouders. Wij willen ervoor zorgen dat jongeren daarover in dialoog gaan met elkaar. Toekomstige leraars mogen niet schrikken als ouders daarover een discussie hebben aan de schoolpoort. Daarop focust het UCLL eerder dan op lessen voorbereiden.” De hogeschool start met een gezamenlijke aanpak waarbij studenten die een verschillend levensbeschouwelijk vak kiezen, met elkaar in dialoog gaan. “Zo hopen we dat de studenten in de lerarenopleiding rijker worden in hun mindset zodat ze die kunnen gebruiken in hun leraarschap. Pas daarna volg je een traject dat specifiek op jouw mandaat is gericht.”

Levenslang leren

Na het panelgesprek over 'leren' op het VLHORA-congres is het voor Vandewalle heel duidelijk: opleidingen moeten zich van binnenuit aanpassen aan de veranderende realiteit. “Ik ben het niet eens met de stelling dat er geen nieuwe opleidingen nodig zijn. Stel dat er iets nieuws op de arbeidsmarkt komt, dan moet je duidelijk kunnen kiezen voor een nieuwe richting. Aan de andere kant moet je natuurlijk ook de bestaande opleidingen vernieuwen.”

“Opleidingen moeten zich aanpassen aan de veranderende realiteit”

UCLL wil erg op levenslang leren inzetten, een onderwerp dat uitvoerig aan bod kwam tijdens het panelgesprek. “We organiseren terugkomdagen en professionaliseringstrajecten voor onze alumni. En ook aan onze docenten willen we de attitude van levenslang leren meegeven. Het is niet zo dat je alles weet als je bent afgestudeerd, dat maken onze docenten duidelijk aan de studenten. Daarom doen we ook aan dienstverlening en navorming na het afstuderen.”

Hogescholen zouden wel meer kunnen inzetten op vernieuwingen, arbeidsmarktrelevantie en levenslang leren mochten ze meer financiële middelen hebben: “Grotere investeringen in hoger onderwijs verdienen zich dubbel en dik terug, daar ben ik van overtuigd.”

Leren is 'cool'

'Leren zal cool gemaakt moeten worden', zei Eric Vermeylen, secretaris-generaal van VLHORA, in zijn begintoespraak, maar Vandewalle gelooft dat dat reeds voor een stuk het geval is. “Leren is geen individuele bezigheid meer. Het gebeurt in samenwerking en in authentieke omstandigheden. Het is 'cool' omdat je herkent wat je later gaat kunnen, willen en mogen doen. In het panelgesprek over innoveren zei meneer Lambrechts van PXL dat het leren veel 'cooler', maar ook veel relevanter wordt als wij studenten mee kunnen laten werken aan reële probleemoplossingen. Dat is een beter woord: motiverend en relevanter.”



Panelgesprek INNOVEREN

Niet iedereen weet dit, maar hogescholen verstrekken niet alleen onderwijs. Ze hebben nog drie andere decretale opdrachten: het verrichten van wetenschappelijk onderzoek, het aanbieden van maatschappelijke dienstverlening en het beoefenen van de Kunsten.

Wetenschappelijk onderzoek en dienstverlening zijn nauw met elkaar verweven. Vele vormen van dienstverlening komen immers voort uit de innovatie-expertise die onderzoekers aan de hogeschool in samenwerking met het werkveld hebben opgebouwd. En die expertise willen ze graag opnieuw delen met het werkveld. Op die manier is de innovatiecirkel rond. Door deze cirkel dienen onderzoek en dienstverlening aan de hogescholen drie doelstellingen:

  1. Vernieuwing in het werkveld
  2. Professionalisering van lectoren en docenten
  3. Competentieontwikkeling van de studenten

Van doelmatigheid en efficiëntie gesproken!

Maar onderzoek aan de hogescholen is nog betrekkelijk nieuw, de financiering voor praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek is pas sinds 2003 opgestart. Onderzoek aan de hogescholen staat dus nog maar in de kinderschoenen, zeker in vergelijking van de eeuwenlange traditie die de universiteiten hebben opgebouwd. Die achterstand heeft ook zijn voordelen. Lectoren en onderzoekers zijn relatief vrij in de keuze van onderzoeksmethoden, het kiezen van partners, het al dan niet delen van kennis en het al dan niet publiceren van resultaten.

Praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek aan de hogescholen is vooral gericht op resultaten, niet zozeer op publicaties. Resultaten die van waarde zijn voor het werkveld.

Hogescholen staan voor oplossingen waar organisaties echt van wakker liggen. Dikwijls zijn deze niet wereldschokkend doch bijzonder existentieel en relevant. Producten, diensten en processen.
Er zijn op de wereld reeds genoeg aanbevelingen, casestudies, catalogi, concepten, conferenties, gegevensdatabanken, expertisenetwerken, methodologieën, ronde-tafels, doctoraten, risicoanalyses, taxonomieën, roadmaps, vergelijkende studies enz… vanzelfsprekend kan niet elk onderzoekproject dat er gebeurt uitmonden in inzetbare producten, diensten en technologie. Trail&Error blijft een goed principe: serpendipiteit ook. Fundamenteel onderzoek mus sein maar ook aandacht voor valorisatie. Valorisatie, dat is waar hogescholen nu net goed in zijn. Laagdrempelig, oplossingsgericht vraag gestuurd.

Welke uitdagingen? Welke ambities voor onderzoek en dienstverlening aan de hogescholen?

  1. Onze uitdaging is om ons onderzoek zodanig vorm te geven dat het ook de vraag van morgen van het werkveld kan bedienen. Daarom willen we onderzoeksactiviteiten van vraagdiagnose kunnen ontwikkelen. Op basis hiervan kunnen we dan gericht en op maat expertise uitbouwen en in co-creatie met het werkveld samen experimenten opzetten en oplossingen ontwikkelen die werken. Dit is voor ons de dienstverlening van de toekomst.
  2. Om de impact van het praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek op de economie en de samenleving te versterken is het noodzakelijk dat de sterk stijgende lijn van investeringen van dit jaar voor Praktijkgericht Wetenschappelijk Onderzoek wordt verdergezet. De praktijk vraagt er om en de hogescholen zijn er klaar voor.
  3. We moeten de nexus onderwijs-onderzoek kunnen blijven versterken. Dit begint door te investeren in een voldoende capaciteit aan de hogescholen. Daarvoor hebben we een structurele basisfinanciering nodig, binnen de enveloppefinanciering van de hogescholen. We hebben veel ambitie, en willen alle kansen benutten en resultaten opleveren die van waarde zijn voor de economie en de samenleving.



“Vandaag saneren creëert het verlies van morgen”

Innovatie is de pijler waarmee je valt of overleeft, vraag maar aan Kodak dat niks zag in de digitale fotografie en zo roemloos ten onder ging. Ook hogescholen zien de noodzaak ervan in en willen zichzelf op een andere manier profileren dan universiteiten. Joris Hindryckx van Hogeschool VIVES vertelt hoe zijn school druk werkt aan innovatie.

Joran Simoens, AP Journalistiek


U hebt bij de Universiteit van Gent gewerkt en bent nu directeur van VIVES hogeschool. Wat zijn de grootste verschillen?

“Ze hebben een andere plaats in het geheel. Grote problemen oplossen, zoals het gat in de ozonlaag, begint vaak met fundamenteel onderzoek. Daarvoor moeten grote middelen naar universiteiten gaan en er moeten grote bedrijven worden ingezet. Daartegenover staat de vertaling naar de kleinere omgeving, de toepassing in kmo’s en het werkveld. Daar spelen de hogescholen een rol. Wij zijn praktijkgericht, wij transformeren de resultaten van het fundamenteel onderzoek naar de praktijk. Die rol moet nog meer voor de hogescholen worden weggelegd.”

Daarvoor moet u wellicht veel met de sector samenwerken, welke coöperaties heeft u zo?

“Wij hebben heel veel samenwerkingen. In de voedingsmiddelenindustrie bijvoorbeeld werken wij heel vaak samen met de veiling. In West-Vlaanderen heb je ook nog de hoppeteelt. Daar heb je een stroom van restafval en dan is de vraag hoe je die gaat verwerken, hoe dat afval weer op een goeie manier in de voedselketen terechtkomt. Een tijdje geleden is er een probleem geweest met bacteriën in de bakkerijsector. Dat hebben wij op zeer korte termijn opgelost.

“Bij zulke onderwerpen denken mensen vaak: bij wie kan je terecht? Bedrijven die zulke kwesties oplossen, zijn er meestal niet, en universiteiten zijn met hun fundamenteel onderzoek bezig met grote problemen. Voor die kleine innovatieve toepassingen moet je dus bij de hogescholen zijn.”

Willen jullie de studenten klaarstomen als expert?

“Wij willen hen vooral de competenties geven om oplossend te denken en vooral oplossend te handelen. Dat zij de expertise hebben om met praktijkgericht onderzoek om te gaan en het kunnen toepassen.”

Jullie hebben een uitgebreid schema voor innoveren. Hoe gaat dat precies in z’n werk?

“Wij hebben zes studiegebieden, en daarnaast zes expertisecentra die niet geënt zijn op een studiegebied. Het expertisecentrum Businessmanagement bijvoorbeeld is vooral een voortzetting van Handelswetenschappen en Bedrijfskunde, maar wordt ook versterkt door de andere studiegebieden. De kracht is dat we op zoveel studiegebieden bezig zijn én dat we expertisecentra naar voor kunnen schuiven. Je hebt altijd wel problemen van commerciële aard, van gezondheidszorg, van biologische aard,… De grootste kracht van hogescholen is dat ze zulke zaken kunnen samenvoegen terwijl ze zich op een specifieke sector richten.

Hoeveel subsidies krijgt u?

“Dat zal rond de 27 miljoen euro voor PWO liggen. Dat klinkt als veel geld, maar het is echt te weinig. Als je de hogescholen vandaag vergelijkt met die van tien jaar geleden, is dat een wereld van verschil. En we zetten nog altijd grote stappen. Wij hebben de ambitie om veel meer bij te dragen aan de kennisontwikkeling van onze regio’s, we staan echt te popelen, maar hebben niet de middelen om genoeg te doen. Toch komt vaak het verwijt: ‘Hogescholen zijn niet genoeg betrokken bij de ontwikkeling en het maatschappelijke veld.’ De overheid zou ook baat hebben bij een ruimere financiering, want ons werk zou een grotere ‘return’ geven. Vandaag saneren creëert enkel het verlies van morgen.”



Panelgesprek INTERNATIONALISEREN

Het belang van het verwerven van internationale en interculturele competenties voor studenten in het hoger onderwijs neemt toe. Vlaamse hogescholen werken met veel enthousiasme hieraan mee. Ze werken aan internationalisering van curricula, aan uitgaande mobiliteit van studenten en staf, aan ingaande mobiliteit van buitenlandse studenten en staf, aan ontwikkelingssamenwerking, aan het organiseren van missies, zendingen en beurzen.

Er bestaat een Europese doelstelling, namelijk dat 20% van de Europese studenten een “mobiel diploma” moet behalen. Dit betekent dat minstens 15 studiepunten in een internationale uitwisseling verworven moeten worden. Vlaanderen streeft naar een mobiliteit van 33%, waarbij Vlaanderen mobiliteit definieert als minstens 10 studiepunten verworven in het buitenland.

De Vlaamse hogescholen hebben in 2015-2016 met 3.743 studenten 53% van de langere mobiliteiten van het Vlaams hoger onderwijs gerealiseerd, en met 1.900 studenten 76% van de korte mobiliteiten. Dit is een goed begin, maar we hebben meer ambitie nodig.

Wat zijn de uitdagingen?

  • De mobiliteit van uitgaande staf en studenten nog veel sterker uitbouwen. Meer beurzen, maar de verschillende stelsels wel vereenvoudigen en stroomlijnen (ook naar de student), en tevens meer projectmatige trajecten en intensieve kortlopende programma’s mogelijk maken.
  • De mobiliteit van inkomende staf en studenten nog veel sterker uitbouwen. Hiervoor moeten we de herkenbaarheid, toegankelijkheid en aantrekkelijkheid van de Vlaamse hogescholen versterken en ons internationaal durven te positioneren als “Universities of Applied Sciences”.
  • Internationale projectmatige samenwerking van onderwijs, onderzoek en dienstverlening verstevigen en vernieuwen. Dit begint met een sterke openheid voor de wereld te organiseren, waarvoor in de eerste plaats een voorspelbaar en rechtszeker visumbeleid en een soepelere taalregeling in het onderwijs nodig zijn. Dit vraagt ook voldoende aandacht en tijd voor de ontwikkeling van een intervisie en uitwisseling van de beste praktijken.

    • We moeten durven investeren in de ontwikkeling van internationale curricula. Dit vergt aandacht voor joint degrees-reglementering en 'open education'.
    • Internationalisering in het personeelsbeleid van de hogescholen verstevigen. Dit kan door internationaliseringaspecten in de onderwijsopdracht te verweven, zoals we dat met praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek ook doen.

    Al deze uitdagingen met succes opleveren kan enkel met een sterk stimulerend overheidsbeleidskader, een beleidskader dat professioneel wordt uitgevoerd door een autonoom agentschap. Een agentschap waar ook het hoger onderwijs mee aan tafel zit en mee het beleid bepaalt.




    “Goed onderwijs is internationaal onderwijs”

    Waarom opleidingen de wereld in hun curriculum moeten opnemen

    De onafhankelijke Nederlandse non-profit organisatie EP-Nuffic zet zich in voor een versterking van internationalisering in het gehele onderwijsdomein, niet enkel in Europa maar ook in ontwikkelingslanden. Voorzitter van de directie van EP-Nuffic, Freddy Weima, vertelt waarom internationalisering in het onderwijs zo belangrijk is.


    “Studenten met een internationale ervaring zijn veel meer waard op de arbeidsmarkt. Steeds meer bedrijven gaan internationaler opereren. Maar ook kleinere bedrijven doen internationale zaken en hebben op die manier een internationaal en intercultureel klantenbestand. Dan is het natuurlijk ontzettend handig als je daar als nieuwe werknemer mee kan omgaan.

    Maar internationalisering dient meerdere doelen. Je ontwikkelt er niet alleen competenties mee die ervoor zorgen dat je een capabele werknemer bent, maar ze is ook een pluspunt voor je eigen ontwikkeling. Internationalisering is een vorm van Bildung, je ontwikkelt een bredere vorming dan wanneer je enkel in je eigen land blijft of enkel met je eigen land bezig bent.”

    “Ook studenten die ervoor kiezen om niet op internationale uitwisseling te gaan kunnen op heel veel verschillende manieren toch die internationale ervaring krijgen. Een mooi voorbeeld is de ‘International Classroom’. Daardoor kan je wel onderwijs blijven volgen in eigen land maar dan in een collegezaal of werkgroep met studenten uit verschillende landen in de wereld. Het internationale domein kan ook erg belangrijk zijn in de inhoud van je studie als onderdeel van de stof. En verder heb je online steeds meer mogelijkheden waardoor je ook daar internationale kennis kan opdoen.”

    “Een internationale ervaring is nodig om 21st century skills te kunnen beheren. Niet alleen bekeken vanuit een puur economisch motief maar ook omdat goed onderwijs internationaal onderwijs is. In de toekomst kan je, volgens mij, geen puur nationaal georiënteerd onderwijs hebben omdat de wereld steeds dichter bij je komt.”




    “Studenten opleiden die naar de mondiale wereld kijken”

    LUCA School of Arts zet fors in op internationalisering

    Laura De Backer, AP Journalistiek

    Erasmus bestaat dit jaar dertig jaar. Vlaamse hogescholen slagen er beter in dan universiteiten om lange en korte mobiliteiten te realiseren. Maar wat is het belang van zo’n internationale ervaring in het buitenland en in de eigen opleiding? Algemeen directeur Marleen Verlinden vertelt hoe LUCA School of Arts inzet op internationalisering.


    “Wij zetten er enorm op in dat onze studenten naar het buitenland kunnen trekken. Dat doen we enerzijds door het curriculum zo te organiseren dat ze de kans hebben om minimum een half jaar naar het buitenland te gaan. Anderzijds zorgen we er ook voor dat de buitenlandse studenten uit onze partnerinstellingen onze opleidingen kunnen instromen. We voorzien verschillende internationale masters om de instroom en/of uitstroom voldoende te stimuleren.”

    Hoe bereiden jullie de studenten voor op een mogelijk internationale carrière?

    “Kunst is internationaal. Tijdens de lessen kan je je niet enkel focussen op Vlaanderen. Kunst is juist dat je naar heel de wereld kijkt en je afvraagt wat kunst daarin betekent. In de Gouden Eeuw was Vlaanderen het centrum van de wereld, niet alleen op economisch vlak maar ook op cultureel vlak. Kunstenaars uit die periode reisden toen ook rond, kwamen in contact met kunstenaars en wetenschappers en waren op die manier constant vernieuwend.

    Dat internationale aspect zit van in het begin in onze opleidingen ingebakken en daar moet verder op worden ingezet. We geven onze studenten niet alleen de kans om naar een andere instelling af te reizen maar we voorzien ook enkele internationale studiereizen in het curriculum. Het is onze ambitie om studenten op te leiden die naar de mondiale wereld kijken.”

    Wat heeft LUCA School of Arts te bieden aan buitenlandse studenten?

    “Een multidisciplinaire onderwijs- en onderzoeksomgeving waarbinnen creatief talent zich artistiek, uitvoerend en technisch kan ontplooien en ontwikkelen. Een integrale vorming waarbij praktijk, onderzoek en reflectie hand in hand gaan, de ruimte voor keuzes, dwarsverbanden en specialisaties wordt aangeboden en gestimuleerd. Bovendien bieden wij kunstopleidingen aan op verschillende campussen in verschillende steden. Op die manier kunnen onze buitenlandse studenten kennismaken met heel Vlaanderen. Elke campus heeft zijn eigen identiteit en zo ontwikkelen ook de internationale studenten een brede kijk.”

    Is een geïnternationaliseerd docentenkorps belangrijk?

    “Docentenmobiliteit is zeker belangrijk. Daarom geven wij onze docenten de kans om naar onze partnerinstellingen te gaan in het buitenland, niet alleen op onderwijsniveau maar ook op onderzoekniveau. Bij het rekruteren van docenten kijken we naar de wereld. Onlangs hebben we een opleidingshoofd gerekruteerd uit het noorden van Italië. De taalvoorwaarden voor docenten zijn niet altijd evident, maar we kunnen zeggen dat ons docentenkorps meer en meer internationaal wordt.”



    Panelgesprek FINANCIEREN

    Het financieringsdecreet van 2008 beoogde met een nieuw financieringsmodel een krachtig instrument uit te bouwen om een aantal beleidsdoelstellingen te realiseren: het bevorderen van de participatie aan het hoger onderwijs, het realiseren van een succesvolle uitstroom, het creëren van democratisering, toegankelijkheid en gelijke kansen. Al deze doelstellingen werden vertaald in een financieringsmechanisme dat transparant, voorspelbaar, billijk, efficiënt en flexibel moest zijn. Een financieringsmechanisme dat ook de diversiteit en flexibiliteit in het hoger onderwijs moest bevorderen. Met behulp van een aantal concrete incentives zouden instroom, doorstroom en uitstroom aangemoedigd worden en zouden de hogescholen beloond worden voor hun ondersteuning van kansengroepen.

    Wat is de balans?

    Voor vele Vlaamse jongeren vormen de hogescholen een laagdrempelige en directe toegang tot hoger onderwijs. Vandaag zijn meer studenten ingeschreven aan de hogescholen dan aan de universiteiten. Een grote deelname aan de hogescholen resulteert jaarlijks in de uitstroom naar de arbeidsmarkt van duizenden excellente professionals die erg gegeerd zijn op de arbeidsmarkt en met succes bouwen aan een duurzaam en welvarend Vlaanderen. Of het financieringsdecreet er voor iets tussenzit of niet, in elk geval stellen we vast dat de instroom naar het hoger onderwijs, en naar de hogescholen in het bijzonder, de afgelopen 10 jaar weer fors is toegenomen. En dit ondanks het overgaan van masteropleidingen naar de universiteiten.

    Maar het mag paradoxaal klinken in een tijd waarin steeds meer jongeren hogere studies aanvatten en succesvol beëindigen, hun aantal is nog altijd te laag. De jonge beroepsbevolking in Vlaanderen telt nog steeds te weinig hooggeschoolden. De groei die we optekenen is nog te gering. Hierdoor verliezen we aan concurrentiekracht ten opzichte van andere landen, die veel meer in hoger onderwijs investeren.

    Verschillende factoren verklaren deze te trage groei. Deels komt het door een ondermaatse financiering.

    Anno 2017 bedraagt het gemiddeld bedrag per voltijdse student 6000 euro. Dit volstaat niet om onze uitstroom in het hoger onderwijs te verhogen. Tegen 2030-2040 dreigen aanzienlijke tekorten aan technische profielen, leerkrachten en verzorgend personeel.

    De participatiegraad aan het hoger onderwijs zal dus nog hoger moeten worden. Meer participatie van alle bevolkingsgroepen, waarbij ook nieuwe bevolgingsgroepen steeds meer zullen moeten instappen in het hoger onderwijs. De integratie van de HBO5-opleidingen in de hogescholen is een positief middel om deze beoogde participatie in kwalitatief hoger onderwijs flink te verhogen.

    De zwakste schakel is dat het financieringsmechanisme van de hogescholen de evolutie van de studentenpopulatie niet of nauwelijks volgt. Het kliksysteem in het financieringsmechanisme volgt te laat en in onvoldoende mate om maatwerk en kwaliteit te kunnen blijven garanderen.

    Het debat over de financiering gaat vandaag over de achterstand die we opgelopen hebben. Zo is de financiering per student de afgelopen 10 jaar gedaald met ongeveer 15%, van een koopkracht van 7.000 euro per student in 2009 (geactualiseerd), naar 6.000 euro per student in 2017.

    Als de participatie aan het hoger onderwijs blijft toenemen, wat nodig en waarschijnlijk is, dan is de achterstand over 10 jaar opnieuw groter. Zelfs wanneer de huidige kloof van 15% zou worden gedicht heeft er zich dan alweer een nieuwe kloof afgetekend.

    Hogescholen willen prioritair hun maatschappelijke doelstellingen realiseren, maar de onderfinanciering leidt vandaag helaas vooral tot een focus op organisatorisch overleven.

    Door het ingebouwd marktmechanisme op afnemende middelen wordt de strijd om de student immers feller dan ooit bevochten. De kwaliteit komt daardoor op termijn onder druk te staan.

    We pleiten dan ook voor een betere en andere basisfinanciering. Het financieringsmechanisme dient in de eerste plaats uit te gaan van de evolutie van de omvang van de studentenpopulatie. Het constante herverdelen van armoede tussen de instellingen onderling, leidt ertoe dat de goed bedoelde incentives niet als dusdanig beleefd worden en enkel als zeer complex en als onredelijk worden ervaren.

    De basisfinanciering dient op korte termijn te worden hersteld op het niveau 7.000 euro per student, wat gewoon het koopkrachtniveau was van de financiering per student in 2009.

    Daarnaast moet koopkrachtvastheid ook in de toekomst worden gewaarborgd, waarbij groei van de studentenpopulatie op korte termijn en prorata wordt verdisconteerd en waarbij de middelen correct geïndexeerd worden.

    De maatschappelijke en economische impact van onze hogeschoolopleidingen is zéér groot. In de hogeschool wordt in zeer belangrijke mate de basis gelegd voor het realiseren van de centrale ambitie van de overheid om veel meer mensen actief te laten deelnemen aan de samenleving en de arbeidsmarkt.

    Uit internationale kwaliteitsaudits, uit arbeidsmarktgegevens, uit diverse socio-economische studies blijkt dat hogescholen deze verwachtingen meer dan waarmaken.

    Zo is bijvoorbeeld gebleken uit een HIVA-studie (nota bene in opdracht van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming), dat zowel het persoonlijke rendement, als het fiscale rendement als het sociale rendement van participatie aan hoger onderwijs zeer aanzienlijk zijn.

    Het is hoog tijd voor wat ambitie in financiering met betrekking tot het hogescholenonderwijs. Want we zijn die investeringen waard.




    “Ook wij moeten ons aanpassen”

    Mia Sas van Odisee over de multiculturele verrijking in hogescholen

    Joppe Peeters, AP Hogeschool Journalistiek

    Disruptie is een nog behoorlijk nieuw fenomeen in de bedrijfswereld. Het betekent dat je radicaal breekt met het verleden en zeer ingrijpende veranderingen op korte termijn invoert. Onze omgeving evolueert immers razendsnel door nieuwe technologieën en vormen van communicatie. Ook in scholen is die disruptie belangrijk. Wie niet meedoet, is gezien en zal al snel een achterstand oplopen op bijna elk vlak. Mia Sas, algemeen directeur van hogeschool Odisee, vertelt hoe zij zich aanpassen aan die veranderingen.


    Als ik spreek over ‘disruptie’, wat is dan het eerste waaraan u denkt?

    “Multiculturaliteit, zonder twijfel. Dat is het thema van dit moment en wij moeten daar als hogeschool op inspelen. Een school zal altijd dienen als de ideale plek voor integratie. We proberen om iedereen rond onze campussen aan te trekken. Iedereen, ongeacht zijn afkomst, die hier wil studeren moet die kans krijgen. En dan zie je al snel een gevarieerde lijst van verschillende culturen.”

    Hoe probeert u hen concreet aan te trekken?

    “Allereerst moet het personeel daarop voorbereid zijn. Dit is geen wij/zij-verhaal waar enkel de nieuwe Belgen zich moeten aanpassen aan ons systeem. Voor de leerkrachten is het uiteraard ook een hele job. We hebben enkele campussen in Brussel, en in Gent zitten we ook in een gekleurde wijk, dus ze zijn wel wat gewoon. We zetten nu volop in op bijscholingen, om de leerkrachten mee te krijgen met de trends van nu. We organiseren meer anderstalige trajecten, met vakken die in het Engels, en in andere talen worden gegeven. Die zijn een succes, deels voor anderstaligen, maar ook voor Nederlandssprekenden. Hun talenkennis vaart er goed bij, en het brengt de studenten bij elkaar. Ik zie trouwens dat de vraag naar die anderstalige lessen enorm stijgt. De aanpassing zit in de kleine dingen. Referenties in de cursussen laten we nu vaker verwijzen naar andere culturen, niet enkel de Belgische.”

    In welke richtingen merkt u het grootste verschil?

    De opvallendste verandering zit in het volwassenenonderwijs. Daar zitten nu veel meer studenten dan voordien. En een groot deel daarvan zijn mensen met een buitenlandse origine. Zij komen hier studeren om een nieuwe start te maken, of omdat hun diploma’s hier niet geldig zijn. Vooral de richting Gezinswetenschappen is populair.

    Hoe kijkt u zelf naar dit steeds meer internationaliserende systeem?

    “Het is een positieve uitdaging, al is die niet altijd even makkelijk. Maar het heeft ook geen zin om ter plaatse stil te blijven staan. We bouwen ons netwerk verder uit en werken meer samen met andere steden, zoals bijvoorbeeld Rotterdam. Het zal dus altijd uitdraaien op een verrijking voor Odisee.”



    UAS4Europe-conferentie: Maximising Success in H2020 and beyond

    Zoals reeds eerder aangekondigd hebben de grote organisaties Universities of Apllied Sciences Network (UASnet) en de European Association of Institutions in Higher Education (EURASHE) sinds de zomer van 2016 de handen in elkaar geslagen samen met de Beierse, Oostenrijkse en Zwitserse hogescholenkoepels. Bedoeling is de hogescholen in Europe op onderzoekvlak een krachtigere stem te geven. Daarom werd een samenwerkingsplatform met vertegenwoordigers uit elke van bovenstaande organisaties opgericht ten einde niet alleen position papers te ontwikkelen, maar ook voor de fundraisers van de hogescholen en beleidsmedewerkers een conferentie te organiseren. In drie weken tijd schreven zich meer dan 300 hogeschoolvertegenwoordigers uit 27 landen zich in voor het dag-evenement en het avondgedeelte van de UAS4Europe-conferentie. De Permanente Vertegenwoordigingen bij de EU van de Duitse staten Hessen en Beieren dienden als prachtig kader.

    In de voormiddag gaven Brendan Hawdon van het Europese Directoraat-General for Research and Innovation (DG RTD) en Virginia Puzzolo van de Reserach Executive Agency een overzicht van de mogelijkheden binnen H2020 vergezeld met wat tips and tricks. Daarna deelden enkele hogescholen hun best practices in een panelgesprek. Panellid Thomas Wintgens van de UAS Northwestern Switzerland (FHNW) deelde mee dat de helft van zijn uitgeschreven projectvoorstellen voor Horizon 2020 werden aanvaard. Hij gaf aan dat er voldoende tijd dient besteed te worden aan het begrijpen van de specifieke EU-calls vooraleer men een voorstel begint uit te schrijven. Na een lunchbreak verdeelden de 200 deelnemers zich over 6 workshops met elk een verschillende onderzoeksthema, gaande van Health & Well Being, Energy & Climate, … tot Arts & Design, waar een Vlaams onderzoeksproject werd gepresenteerd door de LUCA School of Arts die na een lange voorbereiding een Marie Curie-financiering in de wacht kon slepen.

    Tijdens het avondgedeelte dat meer gericht was op het EU-beleid luisterden 130 hogeschoolvertegenwoordigers naar keynote-speaker Keith Sequeira, adviseur van de Europese commissaris voor Onderzoek & Innovatie, Carlos Moedas. Hij lichtte tipjes van de sluier op over de toekomstplannen de opvolger van H2020, m.n. FP9, alsook het concept Open Innovation. Dit werd becommentarieerd in een panelgesprek van verschillende hogeschoolvertegenwoordigers. Het geheel werd afgesloten met een lange netwerk-receptie.



    Wie Wat Waar

    Bruno Van Koeckhoven, VLHORA-stafmedewerker voor Innovatie, Personeelsbeleid en het Hoger Kunstonderwijs, wordt tevens secretaris-generaal van de Universities of Apllied Sciences Network (UASnet), waarvan VLHORA lid is. Hierin zetelen hogescholenkoepels van 7 landen: Nederland, Finland, Denemarken, Litouwen, Estland, Ierland, Portugal, België (Vlaanderen & Wallonië). Daarmee wordt ook het UASnet-secretariaat verplaatst van de Vereniging Hogescholen in Den Haag naar de VLHORA in Brussel, het hart van de EU.

    VLHORA verwelkomt ook nieuwe collega Charlotte Christiaens als projectcoördinator voor het project Zuidwerking.



    Kalender

    • 27-31 maart 2017: VLHORA Open Education Week - meer info


    U heeft ook een bericht?

    Uw instelling organiseert een studiedag, congres, ... dat interessant en toegankelijk is voor het hoger onderwijs? Uw aankondiging kan worden opgenomen in de VLHORA-nieuwsbrief. Voor praktische informatie; contacteer myriam.slock@vlhora.be.



    U heeft ook een vacature?

    Vacatures op beleidsniveau in de Vlaamse hogescholen die aan het VLHORA-secretariaat bekend worden gemaakt, worden gepubliceerd op de VLHORA-website.


    uitschrijven